Opel Campo: Dwars, rot en fantastisch

Soms doen mensen vreemde dingen. Bij veel mensen zijn die vreemde dingen voor anderen een verrassing, bij Jilles is bijna niks meer een verrassing. Behalve dit. Hij is een importeur van (grotendeels Japanse) auto’s uit Japan. Hij kocht ineens een Opel pick-up met dieselmotor. In Nederland. De reden: hij moest verhuizen. Na dat ik weken later was bijgekomen van de schok, mocht ik de auto een weekendje meenemen. Dat is maar goed ook, want Daan (andere Daan) was meteen verliefd toen ik hem meenam op bezoek bij Jilles (op de auto, niet op Jilles. Denk ik). Twee dagen nadat ik hem teruggaf, was hij van Daan. Zo snel kan het gaan. De Opel Campo is een fantastische Opel, het is namelijk een Isuzu. En hij is rot. En blauw. En cool, maar dat had ik al gezegd.

Campo? Dat lust ik niet.

Dat is wat ik eigenlijk dacht dat Jilles zou zeggen. Maar niets was minder waar. Zonder enige aanmoediging van iemand kocht hij dit ineens. Ik moest hem opzoeken, ik kende het model namelijk helemaal niet. Ik vond hem ook erg niet-Opel. De reden hiervoor werd mij later duidelijk toen ik zag dat zelfs het typeplaatje ‘Isuzu’ zegt. Het enige Opel aan heel de Campo zijn dus letterlijk de logo’s voor, achter en op het stuur.

Daan, de huidige eigenaar, is geen Opelfan. Sterker nog, zijn vader haat ze en hij dus ook een beetje. Gelukkig heeft hij ons zodanig kunnen indoctrineren dat ik nu ook vind dat het gewoon een Isuzu is. Dat is natuurlijk ook zo. Het was dus redelijk bijzonder dat Daan hem wilde kopen en vooral dat zijn vader hem niet meteen heeft onteigend. Ondertussen zijn alle sporen van Opel van de auto verwijderd en kunnen we allemaal vredig door het leven.

Toen ik de auto voor het eerst zag, was ik niet onder de indruk. Een kleine, roestige, platte pick-up die niet echt indrukwekkend (of structureel integer) oogde. Desalniettemin ben ik toch gaan kijken en vroeg ik of ik even mocht. Zodra de motor startte (overigens binnen 0,1 seconden na het aanraken van de sleutel) was ik verkocht. Hij zit vol gaten, de lichten deden het nauwelijks, hij trilt, hij zwalkt, hij glijdt, hij is langzaam en gevaarlijk. Ik was verliefd.

Onder de loep

Laten we eens even kijken naar de auto zelf. We beginnen vooraan. Ondanks dat de voorkant niet echt veel afwijkt van een Opel Frontera, is het toch echt volledig een Isuzuneus. Het enige wat anders is, is het logo. De lichtunits deden op het moment van schrijven niks. Bij normaal licht was er geen licht, bij groot licht… ook niet echt, maar dan blauw. De bumper is van staal, gesandwiched tussen een plastic frontje en een plastic lip aan de onderkant.

Onder de motorkap vinden wij een 2.5 liter viercilinder dieselmotor zonder turbo met 76 hele pk’s. Al die paardenkrachten ontsnappen via de handbak met vijf versnellingen richting de achterwielen het asfalt op. Hij ratelt en klappert lekker. Verder gebeurt er eigenlijk weinig. Later zal ik terugkomen op het rijgedrag.

Verder naar achteren vinden we de spiegels die meer trillen dan dingen laten zien en achter de voordeur vinden we weer iets interessants: de Sportscab. Een middenmaatje tussen de tweedeurs korte cabine en de langere vierdeurscabine. Twee stoelen en daarachter ruimte voor al je spullen die om een onduidelijke reden niet vervoerd kunnen worden in je achterbak. Ik neem aan een hond, of een grote taart. Vooral de stickers zijn heel kek.

Achterop vinden we de bak. Die bak was ooit stevig en gaaf, nu is hij voor ongeveer dertig procent gemaakt van gaten. Wel ideaal voor de afwatering. Minder ideaal als je lomp doet door een veld, zoals je op de foto’s kunt zien. De klep opent alleen als je een magische duw geeft voordat je hem opentrekt, Perfect. De wielen zijn overigens blauw en Amerikaans (en krom). Ieder z’n ding.

Vanbinnen vinden we een redelijk clean en typisch Japans interieur gemaakt uit grijs plastic. De lichten en ruitenwissers worden bediend door knoppen naast de tellers, dit is gaaf. De ventilatie en verwarming worden bediend door schuivers en de handrem is een ouderwetse trek-draai-en-duwhendel onder het stuurwiel. Op de deur zit een coole sticker die, bij gebrek aan een toerenteller, je laat weten bij welke snelheden je moet opschakelen. Over tellers gesproken, je hebt er drie. Een MEGA snelheidsmeter en aan weerszijden daarvan een temperatuurmeter en een brandstofmeter.

Sterren dansen op het ijs

Als je gaat zitten op de bestuurdersstoel die al zijn structurele integriteit heeft verloren en je draait de sleutel om, start de Campo écht heel snel. Ik heb nauwelijks een auto gezien die zo snel start. Ik denk oprecht binnen een 0,1 seconde. Vreemd. Wel grappig. Als de kletteraar dan staat te kletteren, kun je beginnen. De pook is lang maar toont na alle kilometers nog genoeg zelfvertrouwen om snel mee om te gaan. De versnellingen voelen duidelijk en misschakelen ligt echt aan jezelf. Sturen gaat makkelijk, de stuurpomp doet goed zijn werk.

Hij is absoluut niet snel, maar op zich kom je prima mee met het verkeer. Op snelheid was het even schrikken. Niet alleen maakt alles herrie, maar de schokbrekers achter en ik vermoed ook de wielen zijn niet helemaal koosjer meer. Het achterwiel bij de bestuurderskant stuitert als de neten en de hele auto trilt bij 100. Bij 120 daarentegen niet! Probleem opgelost. Harder dan dat moet je overigens niet echt willen, want dat kan niet.

Jilles waarschuwde me dat de Campo in de regen ‘zo onder je vandaan glijdt’. Ik, een eigenwijze man, besloot dat advies te marginaliseren en niet te onthouden. Ik dacht toen hij het zei namelijk dat het allemaal wel mee zou vallen. Toen begon het te regenen. Ik stond ergens in een middle-of-nowhere dorpje midden in de nacht. De lichten doen natuurlijk niks of niks maar dan blauw en de ruitenwissers zijn ondertussen gemaakt van plastic. Dit alles weerhield mij er niet van om, stoer als ik ben, toch lekker naar huis te rijden. Alles verliep soepel, zelfs mijn pogingen om te driften werden door de Campo genegeerd.

Totdat ik zoveel vertrouwen had gekregen in de auto, dat ik comfortabel werd. Ik moet ook eerlijk zeggen dat ik niks raars deed. Ik stond voor rood op een kruising op een N-weg. Vooraan. Het stoplicht werd groen en ik reed zonder problemen weg. 1, klak. 2, klak, 3, klak. Prima. Ik reed denk ik nog geen dertig, ik nam de bocht en werd toen ingehaald door… mezelf. Heel zachtjes en beheerst gleed de Campo voorbij zichzelf en maakte een nagenoeg perfecte 180-graden draai. Daar stond ik dan, met m’n gezicht richting de verwarde andere weggebruikers. In een mislukte donut draaide ik hem weer om en vervolgde ik mijn weg. Ditmaal angstig. De dag erna regende het ook, maar toen wist ik hoe het moest. Elke rotonde was de mijne. Wat een wagen.

En nu dan?

Nu heeft Daan hem (andere Daan). Hij is er druk mee in de weer. Hij heeft ondertussen de Bed Cover aangepast zodat die kan fungeren als deksel zonder een hele binnenkuip toe te voegen (dit was voorheen één stuk). Ook heeft hij de schokdempers rondom en de fuseekogels vooraan vervangen en is heel het interieur uit elkaar geweest voor een grote schoonmaak. De pookknop en het stuur zijn vervangen door coolere exemplaren en overal zijn stickers opgeplakt. Rond november wil Daan hem omlaag hebben, want je heet niet voor niks Drempelvrees op Instagram…

Volgende
Volgende

2026 Renault Twingo E-Tech Electric: blij ei